Gehaast, een tikje onhandig en met veel lawaai, trekt Roel de koelkast open. In de deur staan twee flessen wit. Na een korte aarzeling kiest hij voor de Chardonnay. De koude, lichtbeslagen fles zet hij met een harde klap op het aanrecht. Door het keukenraam kijkt hij de tuin in en zwaait naar de buurvrouw. Ze zwaait niet terug.
Gerommel in het rommellaatje voordat hij de kurkentrekker vindt. Elke dag het zelfde ritueel. Met het mesje verwijdert hij de capsule. De kurk ligt nu vrij. Met ferme slagen draait Roel de kurkentrekker in de kurk. Met een geoefende hand en een beschaafde plop trekt hij de kurk uit de fles. Het valt hem op dat de Agapanthus, achter in de tuin, het deze zomer bijzonder mooi doet. De blauw-paarse bollen op lange stelen wuiven door de wind zachtjes heen en weer.
Hij pakt een wijnglas van het plankje. Een glas met grote kelk, bedoeld voor een zware Bordeaux. Maar de Chardonnay vindt dat vandaag niet erg. Met een theedoek poleert Roel zorgvuldig het glas en schenkt zichzelf vervolgens ruim in. Zonder de wijn te laten ademen of rond te laten gaan in het glas, neemt hij een slok. Hij geniet niet van het bouquet maar slaat de koele substantie in een keer achterover.
Voordat hij de keuken verlaat, zwaait hij nog een keer naar de buurvrouw. Zo heeft hij haar het liefst. Achter in de tuin, onder het bloemperk.
