Het is laat en ik besluit mama met de auto naar huis te brengen. Om wakker te blijven zetten we de radio aan met hoop op een meezinger. Op dit uur zijn er geen meezingers op de radio dus luisteren we naar Candlelight. Een herhaling blijkt na een poosje, de gedichten heb ik al eerder gehoord. Vanaf de snelweg gaat de weg naar mijn ouders’ dorp door de bossen. Het eerste stuk is nog verlicht, maar als je dieper het bos in rijdt, verdwijnen de lantarenpalen en ook de reflecterende strepen op de weg. Maar we kennen de route. Mijn ouders wonen al 43 jaar in Lage Vuursche en om daar te komen is er maar een weg: door het bos. Direct nadat ik mijn rijbewijs had gehaald ben ik door mijn vader geïnstrueerd in het nachtelijk naar huis rijden. Altijd groot licht aan, behalve bij tegenliggers. Als tegenliggers het grote licht hinderlijk aanhouden? Seinen. Konijnen of eekhoorns op de weg? Gewoon doorrijden. Herten? Stoppen en lichten helemaal doven. Na een minuutje het klein licht weer aandoen om te kijken of het geschrokken dier is weggelopen. Hert per ongeluk aangereden? Papa bellen. Papa heeft beloofd mij dan te komen helpen om het hert achter in de auto te leggen en de boswachter te bellen. Zodat deze de hertentelling bij kan houden. Ik heb nog geen hert aangereden.
Mama en ik zitten gezellig te kletsen en mee te neuriën met Sky Radio’s Lovesongs als er een paar meter voor onze auto een beest op z’n dooie gemak begint aan de oversteek. Het is geen hert maar ik besluit toch te stoppen en mijn lichten te doven. Als ik de lichten weer aandoe, kijkt het ons met loom vriendelijke ogen aan. Het dier is groter dan een hond, kleiner dan een koe. Het heeft korte pootjes en het waggelt. Zijn lompe lichaam is bedekt met een dikke spierwitte vacht. Zijn kop is lang en spits, als een miereneter. Hij staat recht voor de auto, waggelt heen en weer op zijn poten en bekijkt ons verwonderd. Wij kijken verwonderd terug.
‘Zal ik toeteren?’ vraag ik.
‘Dat is misschien wat rigoureus,’ zegt mama.
‘Papa bellen?’
‘En dan?’ zegt mama, ‘Dan komt hij hier naar toe rijden en staat het beest tussen twee auto’s op de weg.’
‘Het licht weer uitdoen?’ vraag ik.
‘Ja, heel lang uit. En dan het grote licht weer aan.’
Ik stem toe.
Nog even kijken wij de grote witte haarbal aan. Hij knippert met beide ogen en staart dan terug. Het beest lijkt net zo verbaasd als wij. Dan doe ik het licht uit en wacht. Als ik het licht weer aan doe is het beest weg.
