Bordjes

Omvaren was geen optie. Van de Atlantische Oceaan naar de Grote Oceaan was er maar een mogelijkheid: door het Panamakanaal, door de sluizen. Maar toen ik aankwam bij die sluizen stonden er bordjes langs de kant van het kanaal. Of eigenlijk stonden die bordjes er al ver vooraf. Zodra ik het kanaal binnenpeddelde zag ik ze al staan langs beide kanten van het water. Eerst alleen in het Spaans, later ook in het Engels, en nog later in het Duits, Frans en Arabisch. Hoe dichter je bij de sluizen kwam hoe meer bordjes en in hoe meer talen. En er stonden pijlen op de bordjes met aantal meters: in lengte, breedte en hoogte. Maar ik dobberde gestaag door want ik was, niet in lengte, niet in breedte, niet in hoogte, groter dan de pijlen aangaven. Er stonden ook bordjes met het getal 26. Heel veel bordjes met het getal 26.

De Mirafloressluizen doemden voor mij op, als een enorme ijzeren wand. Wat er zich achter die wand bevond kon ik niet zien, maar ik hoopte op de grote boot, mijn moederschip: het schip dat mij zou brengen van Londen naar de Galápagos eilanden. Het schip wat ik in een lollige bui in het Caraïbisch gebied had verlaten en waar ik al sinds de kunst van Cartagena achteraan roeide in deze roze opblaasboot met plastic peddels.

Ik leek mij op de bodem te bevinden van een enorme geul, de sluisdeuren doemden metershoog voor mij op. De bordjes langs de kanten waren verdwenen maar het water om mij heen kreeg steeds meer golfslag, met de peddels hoosde ik het water uit de boot. De bellen begonnen te rinkelen, de sluis kwam heel langzaam in beweging. Nóg meer golven klotsten om mij heen. Ik werd alle kanten opgeschud. De peddels haalde ik binnenboord: ze waren nu toch niet van nut. Met mijn armen omklemde ik de plastic rand van de boot, hopend dat dit voldoende zou zijn voor wat komen zou. Aan de andere kant van de langzaam bewegende sluisdeuren lag water op mij te wachten, heel veel water. 26 meter hoog.