De oversteek

Er heeft zojuist een meeuw op mijn kop gepoept. Maar ik vind het niet erg. Als je zo lang in het water ligt als ik, vind je niets meer erg. Ook niet als er meeuwenpoep over je slaap, langs het linkeroog van je gezicht druppelt. Ik dobber hier al sinds gistermiddag. Ik hang aan het roze Hello Kitty luchtbed van mijn oudste dochter in de Straat van Gibraltar, ergens tussen Marbella en Marokko. Al watertrappelend ga ik zuidwaarts met de stroming mee.

Afrika lijkt zo dichtbij, glooiende heuvels in de verte. De Berbers in de Rif. Ik kan de geuren van de tajines met kip- of lamsvlees en onbekende kruiden ruiken en ik hoor de Arabische klankcadans. Een natuurlijk tempo, passend bij de licht kabbelende golfslag die mij naar dit continent voert.

Als ik straks aanspoel wil ik met deze zeebenen niet meer opstaan of lopen, maar zitten op de hoge rug van een kameel. En meedeinen op zijn ritme door de gortdroge woestijn. Met zand in mijn haar en geen water, nooit meer water. Als ik hier nog langer hang krijg ik schubben. Zeewier prikt tussen mijn benen, mijn tenen hebben verschrompeld vel als door badwater. Mijn schouders en neus zijn al jeukend verbrand. Dat wordt vervellen. Warm en koud geeft hetzelfde gevoel. Zeewater is natter dan kraanwater. Wat is droog? Ik ben het vergeten.

Het Spaanse strand was droog. Tot de vloedlijn. Annabel mocht maar tot de vloedlijn, omdat ze nog niet kon zwemmen. Parmantig stond ze daar, aan de goede kant van het natte strand in haar luier en wees naar de bootjes op zee. In haar hand een rood emmertje en een groen schepje. Joost hield haar goed in de gaten, dat ze niet verder ging dan dat punt. Mij hield hij minder goed in de gaten.

Voor Jet kochten we dit luchtbed. Jet was ouder en kon al wel zwemmen. Van alle luchtbedden koos Jet deze: met Hello Kitty, die ze ‘Poes’ noemde. Ze kende nog niet de Japanse afkomt van deze specifieke kat. Samen met Poes gingen Jet en ik de zee op. We dobberden wat rond in de branding en keken naar de kleine vissenscholen in het helderblauwe water onder ons. Jet vond de vissen tussen onze benen eng en keek liever naar de overkant. Naar Marokko, naar Afrika, een ander continent. Zo ver kon dat toch niet zijn?

Dus, toen Jet gisteren een zandkasteel met slotgracht maakte, en Annabel probeerde haar te helpen met emmers extra zand, en Joost goed oplette of Annabel niet over de vloedlijn stapte, toen nam ik het luchtbed en testte ik uit hoe ver het naar Marokko was. Je kon het zo zien liggen, zo ver kon het niet zijn, hooguit een paar uur schatte ik in. Maar het liep anders.

Ik peddelde en peddelde, eerst snel met beide handen, toen langzaam eerst met een arm, toen met de andere, ondertussen bijzwemmend met mijn benen. Een kleine onderstroom dreef mij snel weg van de kust. Hoe verder, hoe kalmer het water. Er stond geen zuchtje wind, er waren geen grote golven. Ik keek achterom en zag dat de bruisende Spaanse badplaats was veranderd in een minimierendorpje met witte flatjes, groene luifeltjes en inimini parasolletjes. Van Marokko waren enkel nog de contouren zichtbaar, het kwam niet dichterbij. Hoe lang ik ook zwom. Langzaam dobberend dreef ik naar het zuiden; het was toch verder dan gedacht. Teruggaan was geen optie, waar mama aan begon, dat maakte ze ook af.

Op een rubberboot roeien gehavende mensen de tegengestelde kant op. In een onbekende taal met tongklikklanken roepen ze mij adviezen toe, daarbij gebaren ze heftig met hun armen. Ik doe net alsof ik ze niet gezien heb en peddel een keertje extra met mijn arm zodat ze zien dat ook ik een missie heb. Met holle ogen en open monden kijken ze me na; in hun ogen ga ik de verkeerde kant op, in bikini.

Ik hoor het kabbelen van het water in een rustgevend maar onregelmatig tempo; soms hard, dan weer zacht. Een grotere golf hoor ik eerder aankomen dat dat ik hem zie. Bij een grote golf pak ik het roze plastic extra stevig vast. Als ik mijn hoofd schuin houd loopt er water uit mijn oor. Als ik mijn hoofd op het warme, roze plastic laat rusten, hoor ik het water ruizen. Het geluid lijkt op de gedempte klanken van een rumoerig zwembad, alleen dan zonder badjuf met haak. Met een soort vacuüm plop trek ik mijn hoofd van het plastic af. Voor mij is het Marokkaanse silhouet onveranderd. Afrika blijft ver weg.

Mijn armen voelen alsof er gewichtjes aan hangen. Het kost mij elke golf meer moeite om het luchtbed vast te houden met mijn onderarmen geplakt aan het roze, warme plastic. Niet alleen mijn armen, ook mijn benen zijn zwaar. Onbekende krachten trekken ze naar beneden, de diepte in. Watertrappelen verlicht maar even. Het plastic wordt steeds warmer en soepeler. Hier en daar lijkt lucht ontsnapt en mijn drijfbaak wordt zacht. De bovenkant plakt van zee, zout en zweet. Hello Kitty zelf geeft wit af aan mijn onderarmen. Langzaam raakt ze uit vorm.

 

Ik laat me achterover in het water zakken, probeer met mijn voeten de bodem te raken. Een bodem van rotsen of zand. Dat maakt mij niet uit. Een vis raakt mijn kuit, glibberig warm. Met blauwe vingers houd ik het luchtbed nog vast. Rode gellak met briljantjes heeft de zeereis niet overleefd. Ik gooi mijn hoofd achterover in mijn nek. Mijn blonde haren maken een waterwaaier, als een pauwenstaart. Hoe natter mijn haar, hoe zwaarder mijn hoofd. Mijn tenen reiken naar de zeebodem. Zout water smaakt zoet. Ik ben zwaar en nat. Ik strek mijn vingers en laat los. Alles is water.