Ridderverhaal

Ik had er alles aan gedaan om niet te gaan eten bij dat beroemde Italiaanse restaurant waar we eerder waren geweest. Ik had gezegd dat ik liever Chinees at, maar de rest van de familie had zin in Italiaans. Ik had gezegd dat ik geen lasagne lustte, toen zei mama dat ik wel pizza mocht bestellen. Ik had gezegd dat ik misselijk werd van tomaten, volgens papa kon je bij zo’n goed restaurant ook pizza zonder tomaten bestellen, dat heette pizza bianca. Kortom, ik had alles uit de kast gehaald. En toch zit ik nu hier. Bij restaurant Mama Angela. Pal naast het harnas. Ik mag Fanta drinken omdat we uit eten zijn. Maar ik was liever thuis gebleven.

Het harnas staat aan kop van de rij twee- en vierpersoon tafeltjes. Onze tafel grenst direct aan het harnas en ik zit er precies naast. Het ijzeren gevaarte staat met zijn bovenlichaam op een stenen voetstuk. Het heeft geen benen. Maar ik vermoed dat als het heel spannend wordt, hij toch ineens hard weg kan rennen. Dat kunnen ridders: als het hen te heet onder de voeten wordt, rennen ze weg. Met of zonder benen.

Heel af en toe neem ik een hapje van mijn pizza bianca. Heel eerlijk, met tomatensaus was lekkerder geweest. Maar ik geef niet toe. Vanuit mijn rechter ooghoek houd ik de ridder in de gaten.

Het harnas is niet groot: bloeddorstige ridders waren blijkbaar kleine mannetjes. Het lijfje is van nek tot navel van ijzer, daaronder zit een soort van uitsparing, voor als de ridder moet plassen. Over de schouders hangen extra stukken metaal met gaatjes erin. Waar deze precies voor dienen is onduidelijk maar wel doodeng. Ook de mouwen zijn van ijzer en hij heeft handschoenen aan, al zijn die bij de vingers iets verroest. Bij de oksels, de ellenbogen en de vingerkootjes zitten scharnieren. Die af en toe gevaarlijk lijken te kraken als er iemand iets te dicht langsloopt.

Het meest huiveringwekkende is het hoofd. De ridder heeft een soort ouderwetse helm op. Volgens papa omdat hij dan zijn hoofd niet bezeert als hij van het paard valt, een motor hadden ze nog niet in de riddertijd. Dat is heel lang geleden. De helm heeft voor zijn gezicht een metalen vizier. Dat zit potdicht, zodat ik niet kan zien wat voor een griezelig gezicht met puisten en littekens er achter schuil gaat.

De pizza is bijna op. Er liggen alleen nog korstjes. Hoe ik deze deegschijf naar binnen heb gewerkt weet ik niet meer. Ik heb enkel oog voor de ridder. Heeft hij ook oog voor mij? Kijkt hij mij aan door de kleine openingen in het vizier? Hebben ridders het voorzien op meisjes van acht jaar? Mama heeft het over het ‘schaken van een jonkvrouw’. Ik ben jong en een vrouw. Wat schaken is weet ik niet, maar het kan niet veel goeds zijn.

Ik hoef geen toetje. Toch krijg ik tiramisu.

De scharnieren kraken. Binnen in het harnas rammelt er iets elke keer als er iemand over de houten vloer van het restaurant loopt. Als het harnas maar niet omvalt, tegen mij aan. Ik schuif iets verder naar mama. Het harnas blijft staan. Maar hoe lang nog?

Met een klap valt de keukendeur dicht. De ridder wankelt op zijn sokkel en zakt iets voorover. De serveerster komt aangesneld en zet het gevaarte weer overeind. Het vizier staat scheef en kijkt mij nu grijzend aan.

Ik kots een drab van pizza, Fanta en tiramisu over tafel. Eindelijk mag ik naar huis.