Cavia

Ik logeerde net buiten Otavalo, een indianendorpje in Ecuador. Mijn gastgezin bestond uit een jonge moeder en haar vierjarige zoontje Julio. De vader was niet aanwezig; hij speelde panfluit in een Nederlands winkelcentrum om geld te verdienen voor zijn familie. Om in het hoognodige te kunnen voorzien, hadden moeder en zoon vaker buitenlandse gasten. Ik was echter de eerste die goed Spaans sprak en dus nam de kleine Julio mij tijdens mijn verblijf graag op sleeptouw. Hij liet mij de velden zien achter het huis waar quinoa werd verbouwd (toen nog een onbekend fenomeen in de rest van de wereld), ook toonde hij mij trots de melkkoe van de buurvrouw en de kippen achter het huis die zorgden voor de eieren. Op zijn bici zonder trappers, racete hij met mij het hele dorp door, maakte met alle buurtbewoners een praatje en stelde mij voor als zijn eerste Nederlandse vrouw die Spaans sprak. De laatste avond, vlak voor het eten, nam hij mij mee naar een klein hoekje van de tuin aan de voorkant van het huis. Verscholen onder een boom stond een klein hok, omgeven met hooi en omringt met een fijnmazig gaas. Tussen het hooi wees de kleine Julio mij op een aantal wollige bolletjes: cuyes, cavia’s. Heel voorzichtig pakte hij een cavia uit het hooi en zette het beestje op mijn open hand. Het was een jonkie, zacht en fluffig piepte het en probeerde het beestje te sabbelen aan mijn pink. Samen aaiden we het, heel voorzichtig. De praatgrage Julio vertelde mij dat dit zijn lievelings was, maar dat al deze kleine bolletjes wol een plekje hadden in zijn hart en dat zijn moeder de opvoeding van de beestjes volledig aan hem had toevertrouwd. De vierjarige sprak over de diertjes als zijn rijkste bezit; elke ochtend voor het ontbijt ging hij naar buiten om ze te tellen (of ze er allemaal nog waren na de lange donkere nacht) en dan gaf hij ze te eten en ververste hij het water in het bakje. ’s Middags verzamelde hij schoon hooi en ruimde hij de caviapoep op. ’s Avond voor het slapen gaan telde hij zijn lievelingen nog een keer en wenste hij ze een goede nacht door ze een voor een even op te pakken en een kus te geven. Hij hoopte dat ze groot en sterk zouden worden want pas dan, had zijn moeder hem gezegd, waren ze om op te eten. En cuy was het lekkerste wat er was.

Ik had tijdens mijn reizen wel vaker rare dingen gegeten, walvis, stierenballen, pens en zelfs Hákarl …, maar dit kleine wollige ding in mijn hand? Ik vertelde Julio dat in Nederland de kinderen ook cavia’s hielden. Vaak in een kleine kooi in hun slaapkamer met een wiel waarin ze rondjes konden rennen. ‘Lekker he, cavia?’ zuchtte de kleine man. Ik vertelde hem dat we in Nederlands de cavia’s als huisdier hielden maar ze niet opaten. Julio begreep dat het dood maken van het beestje best een beetje zielig was, maar, zo zei hij met een tinkeling in zijn ogen, soms gingen cavia’s ook uit zichzelf dood! Ik vertelde hem dat, als dat gebeurde, de Nederlandse kindjes de cavia dan in een schoenendoos legden en hem begroeven op een mooi plekje in de tuin. Julio keek mij met grote ogen aan: hoe kon je nou het aller, aller lekkerste eten in een schoenendoos begraven in de tuin?!

Die avond aten we rijst met een prutje van bruine bonen. En kipstukjes, althans, dat hoopte ik.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*