Water

Er heeft zojuist een meeuw op mijn kop gepoept. Maar ik vind het niet erg. Als je zo lang in het water ligt als ik, vind je niets meer erg. Ik dobber hier al sinds gistermiddag. Hangend aan mijn roze Hello Kitty luchtbed in de Straat van Gibraltar, ergens tussen Marbella en Marokko. Al watertrappelend ga ik zuidwaarts met de stroming mee. Op een rubberboot roeien gehavende mensen de andere kant op. Met holle ogen en open monden kijken ze me na; ik ga de verkeerde kant op, in bikini. Afrika lijkt zo dichtbij, glooiende heuvels in de verte. De Berbers in de Rif. Ik kan de geuren van de tajines met kip- of lamsvlees en onbekende kruiden ruiken en ik hoor de Arabische klankcadans. Als ik aanspoel wil ik met deze zeebenen niet meer opstaan of lopen maar zitten op de rug van een kameel. En meedeinen op zijn ritme door de gortdroge woestijn. Met zand in mijn haar en geen water, nooit meer water. Als ik hier nog langer hang krijg ik schubben. Zeewier prikt tussen mijn benen, mijn tenen met verschrompeld vel als door badwater. Mijn schouders en neus al jeukend verbrand. Dat wordt vervellen. Warm en koud geeft hetzelfde gevoel. Zeewater is natter dan kraanwater. Wat is droog? Ik ben het vergeten. Mijn armen voelen alsof er gewichtjes aan hangen. Het kost mij elke golf meer moeite om het luchtbed vast te houden met mijn onderarmen geplakt aan het roze, warme plastic. Ik laat me langzaam achterover in het water zakken, probeer met mijn voeten de bodem te raken. Een bodem van rotsen of zand. Dat maakt mij niet uit. Een vis raakt mijn kuit, glibberig warm. Met blauwe vingers houd ik het luchtbed nog vast. Rode gellak met briljantjes heeft de zeereis niet overleefd. Ik gooi mijn hoofd achterover in mijn nek. Mijn blonde haren maken een waterwaaier, als een pauwenstaart. Mijn tenen reiken naar de zeebodem. Zout water smaakt zoet. Ik ben zwaar en nat. Ik strek mijn vingers en laat los. Alles is water.