Raar dorp

In 1918 zag Fanny Blankers-Koen het levenslicht in Lage Vuursche. Zestig jaar later werd ik er geboren.

In heel Nederland en ver daarbuiten staat Lage Vuursche bekend als een bosrijk dorpje waar je kunt wandelen, midgetgolfen en pannenkoeken eten. Onze huidige koning is er opgegroeid, zijn moeder woont er en zijn broer ligt er begraven.

Lage Vuursche heeft één hoofdstraat die Dorpsstraat is genoemd. Daarnaast zijn er nog wat zijpaden. Er staan een aantal huizen waar een kleine 1.500 mensen wonen (waaronder zo’n 80 nonnen in verpleeghuis Sint Elisabeth). Dit aantal is ruim gemeten, alle bosbewoners tot en met paleis Soestdijk tellen ook mee.

Het dorp telt één midgetgolfpretpark, één boswinkel en zes restaurants. Dat is het. Ik daag je uit; noem iets en het is er niet.

Mijn opa heeft de midgetgolftuinen aangelegd. Mijn opa en oma woonden in een huisje tussen de bloemvelden van het midgetgolfterrein en bij warm weer kon opa ’s nachts zijn bed uit om de sproeiers aan te zetten. De midgetgolftuinen zijn de mooiste van heel EurOpa. Mijn vader kwam terecht in de pannenkoeken business en heeft zijn leven niets anders gedaan dan beslag in de lucht gooien. Mijn moeder trok bij hem in, in een huisje in het bos.

Mijn broer en ik gingen in Baarn naar school. Daar legde een docent uit dat er vroeger SRV-wagens bestonden; een soort rijdende supermarkten.
‘En je kan er postzegels kopen’, vulde ik aan.
‘En geld wisselen net als bij een bank en bibliotheekboeken lenen als je maandag opgeeft welk boek je wil, dan neemt de SRV-man het boek donderdag voor je mee.’
Het SRV concept was in het hele land al jaren achterhaald, behalve in ons dorp, want wij hadden geen supermarkt, noch postkantoor, noch bank, noch bibliotheek.

Toen ik 18 was haalde ik mijn rijbewijs en verliet ik het dorp. Ik kom er nog wel eens, bij feest- en verjaardagen. In mijn Amsterdamse straat wonen meer mensen dan in heel mijn geboortedorp. Aan het einde van mijn straat zit een supermarkt. Een blok verder een bank en twee blokken verder een bibliotheek. Nonnen heb ik nog nooit gezien in de Amsterdamse Pijp, laat staan 80 stuks.

Ik deed er 18 jaar over voordat ik Lage Vuursche verliet. Fanny Blankers-Koen was sneller; binnen een jaar was ze verhuisd. Het is een raar dorp.